checklist
Publicatiedatum: 12 augustus 2019

Procedure Ondernemingskamer

De ondernemingsraad kan bij de Ondernemingskamer (OK) van het Gerechtshof Amsterdam beroep instellen als hij het niet eens is met een besluit van de ondernemer waarover de OR adviesrecht heeft. Welke voorwaarden stelt de wet om in beroep te kunnen bij de OK en uit welke stappen bestaat zo’n beroepsprocedure? In deze checklist zetten we dit op een rij.

  1. Wanneer kan de OR in beroep?

    De OR kan bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam beroep instellen, tegen een besluit van de bestuurder als bedoeld in artikel 25 WOR (adviesrecht). Deze beroepsprocedure is geregeld in artikel 26 WOR. De Ondernemingskamer behandelt mogelijke ‘kennelijk onredelijke’ besluiten. Dat zijn besluiten waarbij de bestuurder zich niet houdt aan de voorgeschreven wettelijke procedures. Dat is als hij bijvoorbeeld belangrijke informatie voor de OR achterhoudt of belangen van het personeel veronachtzaamt. Ook als de bestuurder nalaat aan de OR advies te vragen of afwijkt van het advies van de OR.

  2. Opschortingstermijn

    Als de bestuurder een beslissing neemt over een onderwerp uit artikel 25 van de WOR dat niet (geheel) in overeenstemming is met het advies van de OR, dan begint er voor de bestuurder een maand opschorttermijn. Dat staat in de wet aangegeven als de “opschortingstermijn”. De bedoeling van de opschortingstermijn is dat de OR bedenktijd heeft om in beroep te gaan, zonder dat hij bang hoeft te zijn dat de bestuurder zijn besluit al uitvoert en de OR voor voldongen feiten stelt. Als de OR beroep wil instellen bij de Ondernemingskamer, moet dit dus gebeuren binnen een maand nadat de bestuurder zijn besluit schriftelijk aan de OR heeft verstrekt.

    Als de OR informeel te weten komt van een reeds genomen adviesplichtig besluit of van een besluit dat (deels) afwijkt van het OR-advies, gaat de termijn vanaf dat moment in. De opschortingstermijn geldt niet in de situatie dat de OR pas later, na het uitbrengen van zijn (positief) advies, belangrijke informatie onder ogen heeft gekregen.

    De bestuurder betaalt de procedure en een procedure is slecht voor het imago van de organisatie. Dat zorgt ervoor dat veel bestuurders graag snel om tafel met de OR willen als er een procedure dreigt. De dreiging van een procedure is soms een goed pressiemiddel om resultaat te boeken.

  3. In beroep gaan

    De OR kan niet zonder advocaat bij de Ondernemingskamer in beroep. Als de OR tegen het besluit van de bestuurder in beroep wil gaan, is de eerste stap het inschakelen van een advocaat en de directie van het beroep op de hoogte stellen. De beroepsprocedure begint vervolgens met het indienen van een verzoekschrift door de advocaat bij de OK van het Gerechtshof Amsterdam. De OR is de verzoekende partij, die vertegenwoordigd is door de (vice)voorzitter. De bestuurder is de verweerder. In dit verzoekschrift moet de OR duidelijk aangeven om welk besluit het gaat, welke uitspraak de OR van de rechter vraagt, en waarom.

  4. Het belang van een goed, volledig, schriftelijk OR-advies

    In de beroepsprocedure bij de OK kan noch de OR, noch de bestuurder nieuwe feiten, omstandigheden en argumenten naar voren brengen die niet ook al in het OR-advies of in het definitieve besluit staan. Procedeert de OR tegen een besluit, omdat hem pas later, na het uitbrengen van zijn advies, belangrijke feiten of omstandigheden bekend zijn geworden dan kan de OR zich daar uiteraard wel op beroepen. De OR zal dan moeten aangeven waarom hij anders zou hebben geadviseerd, als de OR wel van deze informatie op de hoogte was geweest.

    Als u op zoek gaat naar een advocaat, neem dan een advocaat die bekend is met medezeggenschapsvraagstukken. Er zijn verschillende bureaus hierin gespecialiseerd.

  5. Besluit kennelijk onredelijk

    De Ondernemingskamer beoordeelt niet of de bestuurder een inhoudelijk goed besluit heeft genomen. Hij beoordeelt of het besluit met alle gevolgen “kennelijk onredelijk” is. De OK vindt een besluit in ieder geval onredelijk als de directie de wettelijk voorgeschreven adviesprocedure niet heeft gevolgd, of als het besluit door de directie onvoldoende is gemotiveerd. Ook is het besluit onredelijk wanneer onvoldoende rekening is gehouden met het belang van het personeel. Al bij het uitbrengen van het advies moet de OR feiten en argumenten aangeven om dit te onderbouwen. Zoals hiervoor aangegeven mogen in de beroepsprocedure geen nieuwe zaken worden ingebracht.

  6. Uitspraak Ondernemingskamer

    In het algemeen vindt binnen vier tot zes weken nadat de OR beroep heeft ingesteld een mondelinge zitting plaats, waar zowel de OR als de bestuurder hun kant van de zaak kunnen toelichten. Zes weken na de mondelinge zitting volgt de uitspraak. Afhankelijk van het verzoekschrift van de OR, kan de OK:

    • de directie verplichten het besluit (geheel of ten dele) in te trekken;
    • de directie verplichten de gevolgen van het besluit (geheel of ten dele) ongedaan te maken;
    • de directie een verbod opleggen om het besluit (geheel of ten dele) uit te voeren.
  7. Onomkeerbaar besluit?

    Om te voorkomen dat het besluit onomkeerbaar is, bijvoorbeeld omdat de bestuurder de opschortingstermijn niet in acht neemt of als tijdens de beroepsprocedure de opschortingstermijn verstrijkt en de bestuurder in principe kan overgaan tot uitvoering of door (aankomende) contractafspraken met derden, kan de OR de OK vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Dat betekent dat de OK voor de duur van de beroepsprocedure voorlopig één of meer van de hiervoor genoemde maatregelen treft. Bij een spoedeisend belang is het mogelijk om de OK te vragen nog vóór de mondelinge zitting (en vóór het verstrijken van de opschortingstermijn) een beslissing te nemen over het toekennen van de voorlopige voorziening.

    Uw OR en de bestuurder kunnen tegen de uitspraak van de OK in cassatie gaan bij de Hoge Raad. Let erop dat u dit binnen drie maanden na de uitspraak doet. Tegen de uitspraak van de Hoge Raad is geen beroep meer mogelijk.

Uitgelicht
Uitgelicht